
|

Opgeven gratis Nieuwsbrief
De CKplus Monumenten site ~ Het Cultureel Erfgoed Overzicht
Klik op uw keuze - of - doorzoek deze site met Ctrl+F
|
Combineer een bezoek aan een monument met een stadswandeling: klik hier
| Vanaf medio januari 2007 alles over Michiel A. de Ruyter op deze site
| met verwijzingen naar de archieven van alle provincies
| Van hieruit ga je naar de 12 provinciale organisaties/ sites en vind je veel info over agrarisch natuurbeheer, beheer landschapselementen, weidevogelbescherming, historische infrastructuur en aardkunde en cultuurhistorie Hier info over groeves, schansen, landweer, dobben en pingoruïnes, grafheuvels, eendenkooien en terpen.
| | | TUiN alle Tuinen en Parken van Nederland lees meer | | “Tuinen, buitenplaatsen, parken en andere ‘ groene’ monumenten vormen een belangrijk onderdeel van ons cultuurhistorisch erfgoed. Bibliotheek Wageningen UR heeft dit verleden weten te archiveren, te inventariseren, voor een breed publiek open te stellen en op deze manier een bijdrage te leveren aan beheer, behoud en ontwikkeling van deze monumenten. De collectie TUiN van Bibliotheek Wageningen UR omvat ongeveer 50.000 ontwerpen, tekeningen, prenten, foto's, dia's, prentbriefkaarten, brieven, krantenartikelen en andere documenten, afkomstig uit 25 archieven van de belangrijkste Nederlandse tuin- en landschapsarchitecten zoals de familie Zocher, Dirk F. Tersteeg, Hendrik Copijn, Jan T.P. Bijhouwer, Wim Boer en Mien Ruys. Deze collectie is met recht het ‘Geheugen van Groen Nederland’. Het gehele oeuvre van de tuinarchitect L.A. Springer (1855-1940) is in de databank TUiN opgenomen inclusief de afbeeldingen van zijn originele ontwerptekeningen. De komende jaren wordt het werk van andere bekende tuinarchitecten toegevoegd. Tevens is in de databank TUiN ook alle informatie online raadpleegbaar over openbaar toegankelijke tuinen en hun tuinarchitecten uit de vierdelige Gids voor de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur : bezoekersgids en vademecum tuin- en landschapsarchitectuur in Nederland door C. S. Oldenburger-Ebbers, A. M. Backer en E. Blok (Rotterdam, 1995-2000).
| | | algemeen Glossarium Nederlandse landschapselementen Glossarium | | “Wat is een cope? Waar komen pingoruïnes voor? Wat is het verschil tussen een zetwal en een legakker? Het glossarium van landschapselementen geeft antwoord. Prachtige site van Daniel van der Ree
| “ Hoewel molens in meerdere landen voorkomen, hebben zich in Nederland de meeste variaties ontwikkeld en is de grootste perfectie in de constructie bereikt. Molens kunnen worden ingedeeld naar hun uiterlijk, naar hun taak en naar hun bedieningswijze. Tot de uitvinding van de stoommachine waren molens de belangrijkste energievoorzieners. In de 19e eeuw telde Nederland nog ruim 10.000 molens. Anno 1999 staan er, volgens de gegevens van de Nederlandse Molenstichting, 1035 windmolens (in 1981 nog maar 973!) en 106 waterradmolens in ons land. Van de windmolens is meer dan de helft een grondzeiler, zijn er ruim 300 stellingmolens en ruim 120 beltmolens. Voordat de windmolen in Nederland in de 13e eeuw zijn intrede deed, werd de benodigde energie voor het malen van graan vaak opgewekt door paarden in een zogenaamde rosmolen Prachtige site van Daniel van der Ree
| “ In Nederland kan men vier hoofdtypen boerderijen onderscheiden, het Friese type, het Saksische type, het Frankische type en het Vlaamse / Zeeuwse schuurtype. Prachtige site van Daniel van der Ree
| “ In de Middeleeuwen werden de steden verdedigd vanaf aarden wallen met grachten, palissades en houten poorten. Later werden dit veelal stenen muren met stenen torens Prachtige site van Daniel van der Ree
| Hierop een uitgebreide lijst met verwijzingen naar websites over Nederlandse en Belgische verdedigingswerken. U vindt alle informatie over vestingen, linies, kazematten, inundatiewerken en ander militair erfgoed. Er zijn 527 verwijzingen in 55 categorieën en 22 provincies.
| “ Een vereniging tot behoud van architectonisch of historisch waardevolle huizen in Nederland. Zij tracht dit doel te verwezenlijken door het kopen van monumenten, die na een eventuele restauratie of het uitvoeren van groot onderhoud, worden verhuurd.
De vereniging brengt haar werk in diverse vakbladen en in haar Jaarverslagen onder de aandacht van een breed publiek. In de reeks Huizen in Nederland heeft de vereniging haar hele bezit op wetenschappelijke wijze beschreven.
| Deze site geeft een zo compleet mogelijk overzicht van het netwerk van organisaties dat zich bezig houdt met het industrieel erfgoed. Via 'links' is er informatie in de volgende rubrieken: organisaties, onderzoek, informatieve sites, musea, oude informatie, hergebruikt erfgoed. De vele links zijn overzichtelijk gerubriceerd. Ook zijn een aantal (fiets-wandel-) routes opgenomen.
| Alle Nederlandse middeleeuwse kastelen voor u verzameld. Er is een overzicht gegeven van alle bestaande en niet meer bestaande middeleeuwse kastelen, locaties en bijbehorende publicaties. Verder een uitgebreide linken site en een site met links voor kinderen.
| Zeer uitgebreid worden de Nederlandse landschapstypen en hoe ze ontstaan zijn beschreven. Prima site
| Een zeer complete site. Via 'kennis' komt u op de jeugdpagina en bij de meest gestelde vragen (en uiteraard de antwoorden). Bij ' activiteiten' vindt u een uitgebreide kalender, een lijst met relevante musea- en molenroutes
| “ Hét centrale punt voor kennis en onderzoek op het gebied van monumentenzorg. De RDMZ is namens de staatssecretaris van OCenW verantwoordelijk voor de uitvoering van de Monumentenwet 1988 en de subsidieregelingen. De dienst richt zich niet alleen op gebouwen, maar ook op de bescherming van de historische omgeving, zoals stads- en dorpsstructuren en het cultuurhistorisch waardevolle landschap.
| Allerhande informatie over verenigingen, molens en stichtingen. Overzichtelijk gerangschikt op nationaal en provinciaal niveau.
| Links site met beschrijvingen en plaatjes van tientallen molens
| “ Aardenburg St Bavo, Amerongen Kasteel, Amsterdam:Deutzenhofje, Beurs aaan het Damrak, Hoofdpostkantoor Hotel American Keizergracht 123 Koninklijk Paleis Scheepvaarthuis, Spaarnedammerplantsoen, Trippenhuis, Museum Amstelkring, Rijksmuseum, Oude Kerk, Portugese Synagoge; Apeldoorn, Paleis het Loo Appingedam Hervormde kerk Barneveld Landhuis De Schaffelaar, Bergambacht Tussenlanen 11, Bergen op Zoom Markiezenhof, Breda De Grote Kerk, KMA, Cotessen Kathausertsraat 5 Dec Steeg Kasteel Middachten, Delden Kasteel Twickel, Delft Nieuwe Kerk, St Agathaklooster, Het Agnetapark, Deventer Lebuinuskerk en Stadhuis, Doetinchem Kasteel Slangenburg, Dordrecht Grote Kerk, Eysden Kasteel Eijsden, Enkhuizen Westerkerk, Stadhuis; Franeker Planetarium en Stadhuis; Genemuiden Stoomgemaal Mastenbroek, Gouda St Janskerk, Naaierstraat 6; Grave Hampoort, ’s-Gravenland Trompenburg; ’s-Gravenhagen Buitenhof, Passage, Huis ten Bosch, Panorama Mesdag, Nieuwe Kerk, Oude RK Kerk, Avilakerk, Huis Schuijlenburg, Nirwanaflat, Papaverhof, Mauritshuis; Groningen Korenbeurs; Gronsveld Torenmolen; Haarlem Paviljoen Welgelegen, Teylersmuseum en Grote Kerk; Haarlemmermeer De Cruquius; Haastrecht Museum Bisdom van Vliet; Heerlen Mijnmonument Oranje Nassau; Den Bosch St Janskathedraal, Houtem St Gerlachkerk; Huis ter Heide Villa Henny, Ijsselstein Toren Kerk, Kampen Stadhuis, Kerkrade Abdij Rolduc; Leiden St Annahof, Molen de Heesterboom, Bibliotheek Thysiana; Lemmer Ir. Woudagemaal; Limbricht Salviuskerkje; Loppersum Hervormde Kerk; Maastricht Spaans Gouvernement, Helpoort, OL Vrouwekerk, Sint Servaas, Stadhuis; Middelburg Binnendijk 3, Oostkerk; Middenbeemster De Eenhoorn; Moergestel Zandstraat 5; Otterloo Jachtslot St Hubertus; Oudenbosch Basiliek; Ratum De Meesterkok E96; Ritthem Fort Rammekens; Roermond Munsterkerk Rotterdam: Van Nellefabriek, Justus van Effencomplex, Witte Huis, De Kiefhoek; Rozendaal Kasteel; Santpoort Vinkenbaan 14; Soestdijk Paleis; Steenwijk Villa Rams Woerthe; Ter Apel voormalig klooster; Thorn RKKerk; Utrecht Domtoren, Schröderhuis, Kerkenkruis; Valkenburg De Kruitmolemen, Spoorwegstation, Kasteelruine; Veere Stadhuis; Voorschoten Kasteel Duivenvoorde; Weert Martinuskerk; Weesp Stadhuis; Westzaan Raadhuis; Zeddam Molen; Zierikzee Huis De Haan, Noord- en Zuidhavenpoort, Stadhuis; Zutphen St Walburgskerk en librije;Zwolle Sassenpoort
| “ Veel informatie over restauratie en onderhoud voor eigenaren en beheerders van een monument: Diverse stappenplannen bieden een persoonlijke handleiding. Verder onder meer nieuws, een evenementenkalender en natuurlijk de mogelijkheid tot het stellen van vragen aan deskundigen.
| geeft een overzicht van oudheidkundige- /heemkundige verenigingen in Nederland alfabetisch op plaatsnaam
| Deze site richt zich op mijnbouwhistorie en mijnbouwtechnologie met betrekking tot Nederland. Je kunt selecteren op: "Voormalige mijnen" waarin opgenomen de bewaard gebleven monumenten; "Voormalige Technologie" met ondergrondse werken en activiteiten "Kolenkennis" met o.a. de bestaande reserves "Informatie" met een literatuur- en bronnenlijst op het gebied van Nederlandse steenkolenwinning en een lijst van steenkool- / mijnbouwlinks.
| “Prima site met het Wereld Erfgoed
| “Stationsweb, de grootste online verzameling foto's van stationsgebouwen in Nederland. Een overzicht van stations, haltes en stopplaatsen in verleden, heden en toekomst. Compleet met gegevens over spoorlijnen, openings- en sluitingsdata en kilometrering van stations en haltes. Voor aanvullingen of vragen kunt u contact opnemen met Wichor Bramer.
| “Aardenburg Sint Bavo uit 1220
| “ Alkmaar Monumenten overzicht
| “ De Mannenzaal Tegenover Museum Flehite Amersfoort bevindt zich de Mannenzaal en de kapel van het voormalige St. Pieters- en Blokland Gasthuis. Het gasthuis stamt uit de 14de eeuw en was de eerste tijd alleen bestemd voor zieken. Later werd het een bejaardentehuis met een apart vrouwen- en mannengedeelte. In elke slaapzaal bevonden zich 22 bedsteden, die lange tijd elk door twee gastelingen moesten worden gedeeld! Het was maar goed dat destijds de mensen half zittend sliepen. Men dacht namelijk dat als je ging liggen het bloed naar het hoofd zou stromen waardoor je gek zou kunnen worden Rond de eeuwwisseling voldeden de gebouwen niet meer aan de veiligheidseisen en zou alles worden afgebroken. Rijksbouwmeester Pierre Cuijpers maakte echter bezwaar tegen de afbraak van de kapel en de Mannenzaal. Hij wist het stadsbestuur met succes te overtuigen van de belangrijke historische waarde van de Mannenzaal en zo is deze behouden gebleven. De Mannenzaal is uniek in Nederland. In juli en augustus herleeft in de Mannenzaal het jaar 1907. Rolspelers kruipen in de huid van gasthuisbewoners en met hen kunnen interessante gesprekken aangeknoopt worden over het dagelijkse leven in het negentiende-eeuwse Amersfoort
| “ Den Haag, Wassenaar, Amsterdam Apeldoorn De Koninklijke Paleizen Erg veel, heel erg veel informatie over nu en vooral toen Paleis Noordeinde Paleis Noordeinde in Den Haag is sinds 1984 het werkpaleis van de Koningin. Net als Paleis Huis ten Bosch en het Koninklijk Paleis in Amsterdam is Paleis Noordeinde door het Rijk bij wet aan de Koningin ter beschikking gesteld. Paleis Huis ten Bosch Paleis Huis ten Bosch is sinds 1981 het woonpaleis van de Koningin. Het paleis ligt aan de noordoostelijke kant van Den Haag. Net als Paleis Noordeinde en het Koninklijk Paleis in Amsterdam is Paleis Huis ten Bosch door het Rijk bij wet aan de Koningin ter beschikking gesteld. Koninklijk Paleis Amsterdam Het Koninklijk Paleis Amsterdam ligt in het centrum van deze stad. Het wordt meestal ook aangeduid als ‘Paleis op de Dam’. Net als Paleis Huis ten Bosch en Paleis Noordeinde in Den Haag is het Koninklijk Paleis in Amsterdam door het Rijk bij wet aan de Koningin ter beschikking gesteld. Noordeinde 66 In het huis Noordeinde 66 in Den Haag is het bureau van Prins Willem-Alexander en Prinses Máxima gevestigd. Het pand ligt naast Paleis Noordeinde. Tot juli 2003 woonde het prinselijk paar in het pand. Ze wonen nu in Villa Eikenhorst op landgoed De Horsten in Wassenaar Villa Eikenhorst Villa Eikenhorst op Landgoed de Horsten in Wassenaar is het woonhuis van de Prins van Oranje, Prinses Máxima, Prinses Catharina-Amalia en Prinses Alexia. Huis Het Loo Huis Het Loo in Apeldoorn is de woning van Prinses Margriet en prof.mr. Pieter van Vollenhoven. Het huis staat op het terrein van Paleis Het Loo, dat een museum is
| | | Amsterdam Amsterdamse MonumentenKunst en cultuur klik hier | | “alle Amsterdamse monumenten mooi beschreven en bijeengebracht
| “ Het huis waar Rembrandt tussen 1639 en 1658 heeft gewoond is een museum: Museum het Rembrandthuis. Tussen 1606 en 1607 is dit pand gebouwd in wat toen de Sint-Anthonisbreestraat heette. De naam Jodenbreestraat is van later datum. Het huis is neergezet op twee erven in het oostelijk deel van de stad. In die nieuwbouwwijk vestigden zich vele rijke kooplieden en kunstenaars. Op een vogelvluchtkaart uit 1625 is het pand goed te zien. (afb.1) Het is een fors woonhuis met een trapgevel en twee verdiepingen. Omstreeks 1627/1628 is het huis ingrijpend verbouwd. Het kreeg een nieuwe voorgevel, een voor die dagen hoogstmoderne lijstgevel met een driehoekig fronton. Bovendien kreeg het huis er een verdieping bij. (afb.2) De verbouwing is waarschijnlijk verricht onder toezicht van Jacob van Campen, die later naam zou maken als de architect van het Amsterdamse stadhuis (het huidige Paleis op de Dam).
| “ Amsterdamse School (1915-1940) De industriële revolutie halverwege de vorige eeuw bracht een ommezwaai in de samenleving teweeg, die een grote groei van de steden tot gevolg had. De werkgelegenheid in Amsterdam nam toe en trok vele arbeiders naar Amsterdam. Al deze arbeiders moesten natuurlijk woonruimte hebben, met hun (grote) gezinnen. Voor de arme arbeiders was huisvesting schaars en onbetaalbaar. Er moest dus drastisch iets veranderen aan de volkshuisvesting in de stad. Met de Woningwet van 1901 werd door woningbouwverenigingen en de gemeente een nieuwe visie ontwikkeld op het gebied van de volkshuisvesting. Grote aantallen woningen werden gerealiseerd en de stad begon langzaam een nieuwe vorm te krijgen. De wijk De Pijp kreeg in die tijd veel kritiek. Het was de laatste wijk die nog op de oude polderverkaveling geënt was, waardoor je relatief kleine percelen kreeg. In deze buurt was ook weinig plaats voor groen. In de nieuwe stadsplannen veranderde dat. De nieuwe buurt (Zuid) zou een monumentaal karakter krijgen, met brede lanen. Ten gevolge van de enorme stadsuitbreiding moest ook de Dienst Publieke Werken grote activiteit ontplooien. De nieuwe wijken moesten immers ook worden voorzien van bestrating, riolering en straatmeubilair; er waren badhuizen en scholen nodig en kantoren voor gemeentelijke diensten. Ook moesten er in de nieuwe wijken bruggen komen en veel oude bruggen in de stad vernieuwd worden. Rond de eeuwwisseling was er sprake van een specifiek cultureel klimaat, waarin de ontwikkeling van een nieuwe architectuur goed kon gedijen. Als reactie op de zogenaamde neo-stijlen ontwikkelt Berlage een geheel eigen stijl, waarvan de Amsterdamse School de directe opvolger is. Het belangrijkste werk van Berlage is de Koopmansbeurs op het Beursplein, bekend geworden als de Beurs van Berlage. Onder de verzamelnaam Amsterdamse School vallen architecten die het nieuwe zochten in de decoratieve versiering van de gevels. Uitbundig metselwerk langs schoorstenen, daklijsten, kozijnen en vooral de vormgeving van de hoeken moesten de gevels reliëf geven. Ook de accenten die gegeven werden bij de deuren, portieken en doorgangen zijn opvallend voor het werk van de Amsterdamse School. Een eerste voorbeeld van de Amsterdamse School is het huizenblok aan de Johannes Vermeerplein/Gabriël Metsustraat van M. de Klerk (1911/1912). Rond dezelfde periode ontstaat ook het Scheepvaarthuis aan de Prins Hendrikkade van Van der Mey (1913/1916). Deze werken hebben nog sterk verticale accenten, tot dan toe zo bepalend voor de Nederlandse architectuur. De horizontale lijn zal hierna echter een van de meest karakteristieke eigenschappen van de Amsterdamse School worden; door nieuwe constructies van gewapend beton of staal was het nu mogelijk een raam in een bakstenen muur breder te maken dan de hoogte.
| Brug 246: Amstel / Sarphatistraat (Hogesluis, 1883) Onderdeel van de 17de eeuwse stadswal was een hoge stenen brug die destijds veel indruk maakte op de bezoeker van de stad. In 1883 werd de Hogesluis vervangen door een monumentale dubbele basculebrug met tien doorvaarten, ontworpen door W.H. Springer in Parijse stijl. De plaatbrug, gedeeltelijk basculebrug, is fraai versierd met sierstukken van gietijzer (met stadswapens), een natuurstenen vaasbalustrade, obelisken van natuursteen met gedecoreerde lantaarndragers en bijpassende lantaarns.
| “ De Bijenkorf (1911/14) De geschiedenis van De Bijenkorf - het eerste als zodanig in Nederland gebouwde warenhuis - begon in 1870 toen Simon Philip Goudsmit aan de Nieuwendijk een winkeltje exploiteerde in dames - handwerken en manufacturen. Na uitbreiding aan de Nieuwendijk werd in 1909 een noodwinkel opgericht op het terrein van de in 1903 gesloopte Beurs van J.D. Zocher. In deze noodbehuizing steeg de omzet zodanig dat men besloot zich permanent op deze plek te vestigen. De architect J.A. van Straaten - aanvankelijk aangezocht voor een verbouwing van de panden aan de Nieuwendijk - werd gevraagd een ontwerp te leveren met medewerking van B.A. Lubbers.. Op 30 oktober 1912 werd de eerste steen gelegd. Van Straaten werd na onenigheid met de Bijenkorfdirectie ontslagen en Lubbers zette het werk voort. Hij werkte met name het interieur verder uit en claimde later het auteurschap van het hele ontwerp. Begin september 1914 vond de opening van de parterre plaats en begin 1915 was het gehele pand voor gebruik gereed. Het gebouw bestaat uit een functioneel en voor die tijd modern betonskelet met een in neo-stijl, op barok en classicisme aansluitend, traditioneel vormgegeven exterieur van natuursteen. De opbouw wordt zowel horizontaal als verticaal geleed. De door lisenen gelede verdiepingen rusten op een sokkel of basement en worden afgesloten door een kroonlijst met daarboven een attiek en balustrade. Segmentvormige frontons beëindigen de hoekpaviljoens en de middenpartij.
| “ Brug 236: Amstel / Amstelstraat (Blauwbrug, 1884) Eén van de markantste bruggen van de stad is wel de Blauwbrug uit 1884. De brug met welhaast Parijse allure is een ontwerp van W.H. Springer en B. de Greef en verving de oude houten Blauwbrug die daar sinds 1600 een belangrijke oeververbinding vormde. De monumentale vaste plaatbrug met drie doorvaarten heeft bijzonder fraaie pijlers van baksteen en natuursteen in de vorm van scheepsboegen met daarop marmeren zuilen voorzien van bladornamenten, kapitelen, maskers en polychrome keizerskronen als beëindiging. De vaasbalustrade is van natuursteen. De lantaarnsdragers op de zuilen hebben eveneens de vorm van scheepsboegen. De bijpassende lantaarns hebben keizerskronen. De brug werd in 1999 gerestaureerd. Onder andere werden de gietijzeren bogen teruggeplaatst. Bovenstaande foto's zijn van vóór de restauratie
| | | Amsterdam DiamantslijperijBoas | | Nieuwe Uilenburgerstraat 173-175 Diamantslijperij Boas (1878/79) De opkomst, bloei en neergang van de Amsterdamse fabrieksmatige diamantslijperijen bestrijkt ongeveer het tijdvak van 1840 tot 1914. Na de Eerste Wereldoorlog zijn er, op een enkele uitzondering na, geen grote slijperijen meer gebouwd. De grote bloeiperiode van het Amsterdamse diamantvak valt in de periode 1870-1876, toen in de Vaalrivier in Zuid-Afrika grote diamantvondsten werden gedaan. De als gevolg hiervan ontstane hausse wordt de Kaapse Tijd genoemd. Op Uilenburg werd in 1878 door de gebroeders Boas een stoom-diamantslijperij opgericht. Het complex werd gebouwd naar ontwerp van de architect-werktuigkundige J.W. Meijer. De 73 meter lange en 12 meter brede fabriek, destijds de grootste en modernste van Europa, is gebouwd in een sobere neo-classicistische stijl, wat met name blijkt uit de enkele in de gevel opgenomen frontons. Opvallend is het grote aantal ramen in de gevels. Voor de bewerking van diamanten is voldoende daglicht namelijk van groot belang. Vóór de verbouwing in 1990 waren de vensters gevat in gietijzeren profielen. Tegenwoordig hebben die plaatsgemaakt voor aluminium sponningen en grote spiegelramen.
| “ Bruggen Amsterdam, Stad van bruggen Amsterdam is niet denkbaar zonder water en bruggen. Gegroeid langs de oever van de Amstel ontstond een stad waarin water aanvankelijk belangrijker was dan het land; zowel als transportweg, als verdedigingsgracht en zelfs als stedebouwkundig sieraad voor de stad. Het water is onlosmakelijk verbonden met de stad, die ook wel het Venetië van het Noorden genoemd wordt. Het aantal bruggen is gestaag toegenomen in de loop van de geschiedenis. In de 16de eeuw had de stad 52 bruggen en 6 overkluizingen/duikers (zie de kaart van Cornelis Anthonisz uit 1544). Rond 1600 is het aantal toegenomen tot 110 waaronder 10 overkluizingen/duikers (zie de kaart van Pieter Bast). Door de grote stedelijke uitbreiding aan het begin van de 17de eeuw verdubbelde dit aantal bijna. Het "voltooide" Amsterdam had 297 bruggen en 9 overkluizingen/duikers (zie de plattegrond van Gerred de Broen uit ±1732). Tegenwoordig heeft Amsterdam 1.539 bruggen, waarvan 252 in de binnenstad. Het stadsgebied had door de 17de eeuwse uitleg een omvang bereikt die het tot het midden van de 19de eeuw zou behouden. Vanaf omstreeks 1860 werd buiten de Singelgracht begonnen met de bouw van nieuwe stadswijken. In de binnenstad werden de eerste grachten gedempt, aanvankelijk met een beroep op hygiënische motieven (stankoverlast). Later werden het toenemende (gemotoriseerde) verkeer en de zo min mogelijk belemmerde verbinding met de nieuwe stadsdelen de belangrijkste redenen om over te gaan tot dempingen. Met deze dempingen van grachten verdwenen in de periode 1860-1895 tientallen bruggen. Op andere plaatsen werden hoge bruggen vervangen door lage, soms zeer monumentale exemplaren. Dit had te maken met de eisen van de electrische tram. Ook in de 20ste eeuw verdwenen talloze monumentale bruggen, hoofdzakelijk op grond van verkeerstechnische overwegingen. Terwijl in de loop van de jaren honderden monumenten behouden en gerestaureerd werden, konden oude bruggen worden gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Inmiddels is het besef doorgedrongen dat bruggen net als monumentale gebouwen onderdeel uitmaken van de gebouwde omgeving. De bruggen vormen een markant deel van de monumentale ruimtelijke structuur van de grachtengordel. Ook al zijn veel bruggen in Amsterdam niet meer authentiek, ze hebben dus wel grote stedebouwkundige kwaliteiten. In totaal zijn 72 bruggen binnen de Singelgracht op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst, een groot deel niet omdat ze authentiek of uniek zijn, maar omdat ze van groot belang zijn voor het stadsbeeld. Daarvan behoren er 20 tot de 200 nieuwe rijksmonumenten.
| “ Brug 242: Amstel/Kerkstraat (Magere Brug, 1934, gerest. 1969)De beroemde Magere Brug is in haar huidige, twintigste-eeuwse vorm een houten dubbele ophaalbrug of wipbrug en heeft negen doorvaarten. Haar naam dankt zij aan de oorspronkelijke smalle brug die de beide oevers van de Amstel verbond ter hoogte van de Kerkstraat. In 1671 besloot de vroedschap tot de aanleg van de bruggenhoofden, maar daarna gebeurde er vermoedelijk voorlopig niet veel. Op bijvoorbeeld de vogelvlucht van Jacob Bosch uit 1679 of op Gerrit Berckeyde's schilderij 'Gezicht op de Amstel' uit 1685 is van de nieuwe brug immers nog niets te zien. De 'thesaurieren' – beheerders van de stadskas – besloten in het najaar van 1691 dat de brug gebouwd moest worden naar ontwerp van stadstimmerman Hans Petersom. Deze eerste 'Kerkstraatbrug' bestond uit lange aanbruggen op eenvoudige houten paaljukken en een beweegbaar middendeel bestaande uit een enkele klap of val. Zij telde dertien doorvaarten waarvan de buitenste gebruikt werden als opslagplaatsen. In 1772 werd de overspanning van de middendoorvaart gewijzigd in een dubbele valbrug.
| Bouwmeesters Enkele bouwmeesters in chronologische volgorde zijn: Hendrick de Keyser (1565-1621) Jacob van Campen (1595-1657) Philip Vingboons (1607-1678) Daniël Stalpaert (1615-1676) Justus Vingboons (1620-1698) Adriaan Dortsman (1636-1682) Elias Bouman (1636-1686) Daniël Marot (1661-1752) Jean Coulon (1678-1760) Frédéric (Frans) Blancard (1704-1744) Jacob Otten Husly (1738-1796) Ludwich Friedrick Druck (sinds 1771 in Amsterdam) Abraham van der Hart (1747-1820) P.J.H. Cuypers (1827-1921) G.B. Salm en A. Salm GBzn (resp. 1831-1897 en 1857-1915) A.L. van Gendt (1835-1901) G.A. van Arkel (1858-1918) H.P. Berlage (1856-1934) J.M. van der Mey (1878-1949) P.L. Kramer (1881-1961) M. de Klerk (1884-1923)
Combineer een bezoek aan een monument met een stadswandeling: klik hier
| “ H. P. Berlage (1856-1934) Hendrik Petrus Berlage studeerde van 1875 tot 1878 aan de technische hogeschool in Zürich. Daar kwam hij in aanraking met de denkbeelden van de architecten Semper en Viollet-le-Duc. Zij kritiseren op dat moment de overheersende zogenaamde neo-stijlen, waarin de decoratieve vormen van bouwstijlen uit het verleden overdadig worden toegepast. Hij raakt onder de indruk van het ideaal van de Gemeenschapskunst en wordt socialist. Op basis van de denkbeelden van Semper en Viollet-le-Duc ontwikkelt Berlage een eigen stijl, waarvan de Amsterdamse School de directe opvolger is. Berlage ontwerpt niet alleen de gebouwen, maar ook de inrichting, het meubilair en zelfs drukwerk. Bij de decoratie van het kantoor de Algemeene aan het Damrak schakelt hij kunstenaars in: Lambertus Zijl maakt beeldhouwwerk aan de gevel en Derkinderen beschildert het trappenhuis. In 1896 krijgt Berlage de belangrijke opdracht voor het bouwen van een nieuwe Beurs. Hij maakt vele ontwerpen voordat in 1898 de bouw begint. Uiteindelijk komt hij tot een zeer radicale uitwerking van zijn ideeën. Hij gaat uit van geometrische grondslagen en wijst alle op oude stijlen gebaseerde ornamenten af. Het gebouw is sober en de constructie is nadrukkelijk zichtbaar. De verschillende materiaalsoorten worden niet bepleisterd of weg geschilderd, maar houden hun eigen karakter. Zo ontstaan contrasten tussen bakstenen muren, hardstenen elementen en overkappingen van glas en staal. Decoratie wordt alleen toegepast in samenhang met de constructie. Behalve als architect is Berlage ook actief als stedebouwkundige. Zijn ontwerp voor Amsterdam-Zuid bestaat uit grote, monumentale woningblokken. Zij vormen de wanden van brede lanen, pleinen en straten. In de centrale as van het plan staat een woontoren, de “wolkenkrabber” van J. F. Staal. De nadruk ligt bij de woningblokken op de totaalcompositie. De aparte woningen zijn onderdeel van de straatwand. De gemeenschappelijkheid van de stadswijk staat voorop. Berlage wilde een gemeenschappelijke, niet individuele bouwkunst.
| | | Amsterdam Bouwmeester Cuypers | | P.J.H. Cuypers (1827-1921) Cuypers introduceerde met zijn kerken rond 1850 de neo-gotiek in Nederland. Hij bouwde zes kerken in Amsterdam, waarvan er ondertussen drie gesloopt zijn: de Willibrorduskerk aan de Amsteldijk, de Nicolaas en Barbara aan de Da Costakade en de Magdalenakerk in de Spaarndammerstraat zijn in de loop der jaren afgebroken. De Posthoorn in de Haarlemmerstraat, de Vondelkerk in de Vondelstraat en de Dominicuskerk in de Spuistraat zijn aan de sloophamer ontsnapt. De Posthoorn en de Vondelkerk worden beiden niet meer als kerk gebruikt. Ook in de wereldlijke gebouwen van Cuypers overheerst de neo-gotiek, zij het met neo-renaissance invloeden. Dit is vooral te zien aan het Rijksmuseum (1876/85) en het Centraal Station (1882/89), waaraan ook A.L. van Gendt heeft meegewerkt. Verder bouwde hij een aantal woonhuizen in de Vondelstraat, in een vrij sobere stijl: nr. 3-7 (Vondelhoven); nr. 36-40; nr.75 (Nieuw Leyerhoven) en zijn eigen woonhuis op nr. 77-79. In 1906 bouwde hij aan de zuidzijde van het Rijksmuseum de Nachtwachtzaal. In 1911, hij was toen 84, ontwierp hij nog de gevels voor het politiebureau, Oudezijds Achterburgwal 185 (naast het Spinhuis). Het gebouw wordt nu gebruikt door de Universiteit van Amsterdam
| | | Amsterdam Bouwmeester Van Gendt | | A.L. van Gendt (1835-1901) A.L. van Gendt is schepper geweest van een groot aantal belangrijke bouwwerken in Amsterdam. De Industrieschool voor Vrouwelijke Jeugd, Weteringschans 31 (naast het Barlaeus gymnasium van Springer) is een van Amsterdams laatste gebouwen geweest in een zuiver eclectische stijl. Vanaf ongeveer 1880 hebben zijn werken een enigszins Weens karakter: de Hollandse Manege (Vondelstraat 140, 1880), restaurant Riche (Rokin 84/Enge Kapelsteeg, 1883) en het Concertgebouw (van Baerlestraat 98, 1883/86). Dan volgt een periode van neo-renaissance: het weeshuis Weteringschans 261, het gebouw van de vereniging voor de koffiehandel, Raadhuisstraat 15, de handelsvereniging “Amsterdam”, Nieuwezijds Voorburgwal 162-170, het Burgerziekenhuis, Linnaeusstraat 89 en het winkelhuis, Muntplein 1/Amstel 2. In die jaren werkte van Gendt met P.J.H. Cuypers mee aan het Centraal Station en met Springer aan de Schouwburg op het Leidseplein. Na 1894 werkte hij samen met zijn zoons, J.G.van Gendt en A.D.N. van Gendt. Samen bouwden zij onder andere de winkelgalerij aan de Raadhuisstraat en een winkelhuis aan de Herengracht/Raadhuisstraat. J.G. van Gendt en A.D.N. van Gendt zouden later als gebrs. Van Gendt A.L.zn verder gaan.
| | | Amsterdam Constantia woningen | | Willemsstraat 149-165, Constantiawoningen (1863/64) De Constantiawoningen behoren tot de zogeheten "filantropische woningbouw", gerealiseerd door de in 1863 opgerichte Stichting voor den Ambachtsstand - Constantiawoningen. De door P.J. Hamer ontworpen woningen werden gebouwd voor minvermogende werklieden ouder dan 60 jaar die hier vrij van huur konden wonen. Voorwaarde was verder wel dat zij minstens 12 jaar bij één en dezelfde patroon in enig nijverheidsvak werkzaam waren geweest. Het statige complex is uitgevoerd in een neo-classicistische stijl met decoraties geïnspireerd op de Hollandse renaissance. Het geheel is symmetrisch ingedeeld en heeft licht naar voren springende midden- en hoekpartijen. Deze zijn benadrukt door, met afwisselend baksteen en wit geschilderd pleisterwerk, geblokte lisenen. De middenpartij wordt bekroond door een segmentvormig fronton. De vleugels tussen de midden- en hoekpartijen maken een gesloten indruk, doordat de vensters ver uit elkaar staan en de binnenste vensters bovendien "blind" zijn. De plattegrond van het hof komt overeen met de plattegrond van het traditionele Nederlandse hofje, waarbij de woonhuisjes om een binnenhof - voorzien van bleekveldjes en een waterpomp - gegroepeerd staan. Oorspronkelijk waren er 36 kleine woonvertrekken. Boven de achtervleugel aan het binnenhof verheft zich een torentje (oorspronkelijk voorzien van een luidklok en eventueel een uurwerk), een element dat ook vaak in traditionele hofjes te vinden is.
| “ met niet minder dan 70.000 foto's en 20.000 bouwtekeningen van Amsterdam toen en nu
| “ Nieuwe Doelenstraat 24, Doelenhotel (1882/83) In 1882 werd de toren Swych Utrecht, een in het complex van de Kloveniersdoelen opgenomen verdedigingswerk uit 1482, gesloopt. Het moest namelijk plaats maken voor het Doelen Hotel. Vanaf 1522 had de toren, die leek op de Schreierstoren, deel uitgemaakt van de oefenruimte van de schutterij der kloveniers. De beroemdste compagnie van deze schutterij is wel die van kapitein Frans Banning Cocq. Rembrandt van Rijn kreeg in 1638 opdracht deze nachtwacht te portretteren (De Nachtwacht, 1642, Rijksmuseum). Tot 1715 bleef het hier in de grote Doelenzaal hangen. De oude Kloveniersdoelen werden al in de 17de eeuw door de stedelijke magistratuur gebruikt voor ontvangsten en buffetten. Voorname gasten van de stad werden ook wel ter overnachting in dit "herenlogement" gehuisvest. In 1870 werd J.F. Hahn eigenaar van het complex, dat hij met het oog op de komende Wereldtentoonstelling wil laten vervangen door nieuwbouw in neo-renaissance. Delen van het muurwerk en de funderingen van het oude Doelen Hotel en het buitenmuurwerk van de 17de eeuwse Doelenzaal zouden worden geïncorporeerd. Gezien vanaf de noordzijde en vanaf de zijde van de binnen-Amstel krijgt men de beste indruk van de creatie van J.F. van Hamersveld. Eerstgenoemde zijde toont een korte gevel als hoekpaviljoen. De gevelsteen van J.H. Teixiera de Mattos uit 1883 verwijst naar de toren Swych Utrecht.
| “ Hofjes Hofjes zijn een vroege vorm van bejaardenzorg en sociale woningbouw tegelijk, een oudedagsvoorziening voor arme, oude mensen. De oudjes woonden er gratis. Vanaf de straat zijn hofjes vaak moeilijk te zien. De woninkjes zijn meestal gebouwd achter de bewoning aan de straat. Een hofje is doorgaans een rechthoekig complex, waarvan de huisjes in U- of L-vorm rond een bleekveld (tegenwoordig meestal tuin) zijn gebouwd. Op het binnenterrein staat vaak een waterpomp met een lantaarn. Het poortgebouw bevat vaak een regentenkamer (meestal op de verdieping), waarvan de luxieuze inrichting in schril contrast staat met de sobere woninkjes. In Amsterdam zijn hofjes vanwege het gebrek aan ruimte in de binnenstad vaak erg klein en soms niet veel meer dan een straatje met inpandige huisjes achter de bebouwing aan de straat (vaak bestaan deze huisjes al vóór de stichting van het hofje: huisjes gelegen aan een “gang”). Er is dan geen ruimte voor een bleekveld of tuin. Veel inpandige huisjesgroepen, welke te bereiken waren door tussen de huizen uitgespaarde gangen, waren niets anders dan door particulieren geëxploiteerde huurwoninkjes. Zij worden ook vaak “hofjes” genoemd. Op deze pagina staan de “echte” hofjes centraal. Het aantal hofjes is moeilijk aan te geven, omdat in de 19de eeuw en later vele instellingen van ouderdomsvoorziening zijn gesticht die vergelijkbaar zijn met de oude hofjes, terwijl veel oude hofjes in dergelijke moderne instellingen zijn opgegaan. Er zijn nog ca. 200 hofjes in Nederland, waarvan de meesten in Noord- en Zuid-Holland (Holland was immers de rijkste provincie van de Republiek). De helft staat in vier Hollandse steden: Amsterdam (47), Leiden (35), Haarlem (19) en Alkmaar (10). Amsterdam is dus de belangrijkste “hofjesleverancier” (meer dan een kwart van het totaal). Meer dan de helft van de Amsterdamse hofjes staat in de Jordaan (waar de grond goedkoop was). In Amsterdam zijn 51 hofjes gesticht (14 in de 17de, 18 in de 18de en 19 in de 19de eeuw), dus slechts 7 zijn er verdwenen. Wel zijn veel hofjes grondig verbouwd (waarbij het aantal woninkjes drastisch werd verminderd) of verplaatst (naar de nieuwe ruimere wijken). De regentenkamer is vaak volkomen ongewijzigd gebleven: het zijn kleine musea. Hofjes zijn in principe toegankelijk, maar het komt helaas steeds vaker voor dat ze op slot zijn. Ze worden tegenwoordig soms bewoond door studenten en andere jongeren. Er zijn nog maar weinig hofjes waar geen huur betaald hoeft te worden.
| | | Amsterdam Geschiedenis van de hofjes | | Hofjes Geschiedenis Hofjes komen sinds de 14de eeuw voor en zijn typisch Nederlands. Ze zijn ontstaan uit de begijnhoven die in ons land sinds de 12de eeuw voorkomen (zoals het Begijnhof in Amsterdam). “Hofje” is overigens de Hollandse benaming; elders in Nederland heten ze gasthuizen, weduwehuizen of kameren. De bloeitijd is de 17de en de 18de eeuw. Ze werden gesticht en beheerd door particulieren, vaak rijke, kinderloze burgers. Gebruikelijk was dat een hofje werd gesticht uit een nalatenschap. De meeste hofjes hebben de naam van de stichter. Motieven om een hofje te stichten zijn dus behalve liefdadigheid ook ijdelheid: de stichters wilden als weldoeners van de mensheid te kijk staan. Het toelatingsbeleid was selectief, bijv. "alleenstaande vrouwen van onbesproken gedrag". Of er werden vrouwen toegelaten van een bepaalde gezindte: hervormd, luthers, doopsgezind, etc., maar ook katholiek kwam voor. Mannenhofjes kwamen niet voor, wel soms hofjes voor echtparen. Het bestuur werd gevormd door een "college van regenten". Deze vergaderde in de regentenkamer. De dagelijkse gang van zaken was echter in handen van de portier die vaak in een woninkje in het poortgebouw woonde. Veel voorschriften werden vastgelegd in een reglement. Een duidelijk onderscheid is er in de oorspronkelijke hofjes, de groep van inpandig gelegen woninkjes met een poortje aan de straat of gracht (zoals het Raepenhofje, het Looyershofje, het Suykerhofje en het Nieuwe Suykerhofje, en de latere hofjes, de royaler opgezette stichtingen met een opvallend poortgebouw (zoals het Van Brants Rus-Hofje, het Corvershof, het Occo Hofje en het Deutzenhofje in de grachtengordel). In tegenstelling tot de specifiek Amsterdamse stadshuizen, die in de hoogte zijn gebouwd, zijn hofjes in de breedte gebouwd. Dit heeft het voordeel dat architectonische principes volop kunnen worden toegepast. Dit is goed te zien bij bijvoorbeeld het Van Brienenhof. Een uitzonderlijke positie neemt het Karthuizerhof in. Het Huyszitten Weduwenhof of in de volksmond het Karthuizerhof is gebouwd in 1650, op de plaats van het Middeleeuwse Karthuizerklooster, naar een ontwerp van stadsbouwmeester Daniël Stalpaert. Het was een voor die tijd groot complex: vier om een ruim binnenplein opgetrokken vleugels. In dit hof werden de zgn. huiszitten-weduwen (met hun kinderen) ondergebracht, weduwen die onder de hoede vielen van de Huiszittenmeesters, de armenzorg van de 17de eeuw. In de praktijk king het niet alleen om weduwen, maar ook om ongehuwde moeders met kinderen. Het Karthuizerhof is dus, in tegenstelling tot de andere hofjes, een stedelijke instelling.
| “Benaming of benoeming van historische gevelreclames is op diverse manieren mogelijk, zoals b.v.: Gevelreclame, muurreclame, antieke gevelreclame, oude muurreclame etc. Het restaureren van bovengenoemde begrippen is ook een onderdeel van de werkzaamheden en doelstellingen van de in deze site genoemde werkzaamheden. Reclame is er al sinds vele eeuwen. Op straat zijn nog steeds vele schakeringen van reclame uitingen te zien. Hoewel deze deel uitmaken van onze dagelijkse cultuurbeleving raken er vele in verval of verdwijnen helemaal. Gelukkig worden er pogingen ondernomen om diverse historische reclames te bewaren. De Werkgroep Historische Gevelreclames Amsterdam (WHGA) organiseert en begeleid een aantal restauraties.Deze site laat diverse voorbeelden daarvan zien
| “ Dam 27 De Industrieele Groote Club (1913/16) De Amsterdamse fabrikanten en industriëlen verenigden zich in 1913 in de sociëteit Industria. Drie jaar later werd de bouw van een eigen sociëteitsgebouw, naar ontwerp van F. Kuipers, voltooid. Om de exploitatiekosten te drukken werden op de begane grond vijf winkels en op de bovenverdiepingen diverse privékantoren gerealiseerd, die afzonderlijk verhuurd konden worden.
| “ Jugendstil (1895-1905) Vanaf omstreeks 1890 kwam in diverse Europese landen een nieuwe stijl tot ontwikkeling die bekend is geworden onder de naam Art Nouveau of Jugendstil. Deze stijl, die zich zowel in de beeldende kunsten als in de kunstnijverheid en de architectuur manifesteerde, betekende een breuk met de gangbare 19de eeuwse neostijlen. De Belgen V. Horta (1861-1946) en P. Hankar (1859-1901) introduceerden de Art Nouveau in 1893 voor het eerst in de architectuur. Kenmerkend voor dit type architectuur waren de aan de bloemen-, planten- en dierenwereld ontleende golvende lijnen, uitgevoerd in flamboyante en soms uiterst grillige vormen. Horta en Hankar maakten als eersten gebruik van ijzer en staal bij de bouw van luxueuze burgerwoningen en lieten deze constructies nog zien ook. Voorheen gebeurde dit alleen bij door ingenieurs gebouwde functionele werken en gebouwen als bruggen, stations, fabriekshallen en warenhuizen. In ons land heeft een sobere variant van deze stijl van omstreeks 1895 tot circa 1905 een kort bestaan gekend. Ook in Amsterdam zijn er een diverse voorbeelden van. Onder invloed van Berlage wordt deze, zich voornamelijk in detaillering en afwerking manifesterende, variant ook wel aangeduid met de naam ‘Nieuwe Kunst’. De aan flora en fauna ontleende weelderige motieven werden hier meer gestileerd, terwijl daarnaast ook uit de geometrie afgeleide vormen werden toegepast. Verder werd veelvuldig gebruik gemaakt van nieuwe materialen, zoals machinaal vervaardigde gladde baksteen (ook geglazuurd) en sierlijk vormgegeven smeedijzer. Daarnaast waren decoratief beschilderde tegels (tableaus) en glas-in-lood erg in trek. Het geheel werd verder gekenmerkt door opvallend kleurgebruik. Zoals gezegd heeft deze stijl in ons land slechts een kort bestaan gekend; blijkbaar was de houding in Nederland te nuchter en ingetogen om deze bij uitstek decoratieve bouwstijl volledig tot ontwikkeling te laten komen. Bovendien was deze stijl vanwege de ambachtelijkheid bijzonder kostbaar en om die reden voor relatief weinig opdrachtgevers aantrekkelijk. Ook de meeste architecten waren geen voorstanders; ‘materiaalwetten’ en ‘eerlijke’ constructiemogelijkheden sloten een ongebonden en ornamentele vormgeving in hun ogen uit. Niet iedereen was dus even gecharmeerd van deze nieuwe bouwstijl. Ronduit afwijzend en haast vijandig is echter de kritiek uit 1901 van de gevierde P.J.H. Cuypers die de stijl vergeleek met een besmettelijke en dodelijke ziekte: "l’art nouveau vertoont ons het beeld van de teringlijdster, die met verraderlijke blos op de wangen maar kort van jaren, dol en opgewonden van het leven wil genieten" In Amsterdam zijn nog diverse ontwerpen in de stijl van de Nieuwe Kunst te bewonderen. Te noemen zijn onder meer: het voormalige gebouw van het Algemeen Handelsblad, Nieuwezijds Voorburgwal 234-240 van Ed. Cuypers uit 1902/03; het Witte Huis, Raadhuisstraat 2-6 (J. Verheul, 1899/1901); boekhandel Athenaeum, Spui 14-16 (L.G. Mohrmann, 1904) en Damrak 37 (J. Hartkamp, 1903). Verder moeten Keizersgracht 766 (1894); Helios, Spui 15-19 (1895/96); café-restaurant De Kroon, Rembrandtplein 17 (1898); Rokin 58 (1898); Spuistraat 274 (1898); Rokin 69 (1901); Raadhuisstraat 52-54 (1902/03); Damrak 80-81 (1903/04) en Keizersgracht 174-176 (1904/05, uitgebreid 1968/69) genoemd worden. Deze panden werden alle gebouwd naar ontwerp van architect G. van Arkel (1858-1918). Voorts zijn met name diverse winkelpuien nog geheel of gedeeltelijk uitgevoerd in de stijl van de Nieuwe Kunst, terwijl ettelijke woonhuizen, vooral in de Vondelpark- en Concertgebouwbuurt, voorzien zijn van fraaie tegeltableaus uit deze stijlperiode
| “ Den Haag, Wassenaar, Amsterdam Apeldoorn De Koninklijke Paleizen Erg veel, heel erg veel informatie over nu en vooral toen Paleis Noordeinde Paleis Noordeinde in Den Haag is sinds 1984 het werkpaleis van de Koningin. Net als Paleis Huis ten Bosch en het Koninklijk Paleis in Amsterdam is Paleis Noordeinde door het Rijk bij wet aan de Koningin ter beschikking gesteld. Paleis Huis ten Bosch Paleis Huis ten Bosch is sinds 1981 het woonpaleis van de Koningin. Het paleis ligt aan de noordoostelijke kant van Den Haag. Net als Paleis Noordeinde en het Koninklijk Paleis in Amsterdam is Paleis Huis ten Bosch door het Rijk bij wet aan de Koningin ter beschikking gesteld. Koninklijk Paleis Amsterdam Het Koninklijk Paleis Amsterdam ligt in het centrum van deze stad. Het wordt meestal ook aangeduid als ‘Paleis op de Dam’. Net als Paleis Huis ten Bosch en Paleis Noordeinde in Den Haag is het Koninklijk Paleis in Amsterdam door het Rijk bij wet aan de Koningin ter beschikking gesteld. Noordeinde 66 In het huis Noordeinde 66 in Den Haag is het bureau van Prins Willem-Alexander en Prinses Máxima gevestigd. Het pand ligt naast Paleis Noordeinde. Tot juli 2003 woonde het prinselijk paar in het pand. Ze wonen nu in Villa Eikenhorst op landgoed De Horsten in Wassenaar Villa Eikenhorst Villa Eikenhorst op Landgoed de Horsten in Wassenaar is het woonhuis van de Prins van Oranje, Prinses Máxima, Prinses Catharina-Amalia en Prinses Alexia. Huis Het Loo Huis Het Loo in Apeldoorn is de woning van Prinses Margriet en prof.mr. Pieter van Vollenhoven. Het huis staat op het terrein van Paleis Het Loo, dat een museum is
| “ Amsterdam, Scheepswerf 't Kromhout met een mooi beschreven geschiedenis op
| “ 200 nieuwe rijksmonumenten in Amsterdamse binnenstad In 1986 startte het Monumenten Inventarisatie Project (MIP), een vermetele onderneming waarbij het hele land werd uitgekamd op zoek naar waardevolle bouwkunst uit de periode 1850-1940. Twee jaar later begonnen de werkzaamheden die moesten leiden tot een selectie van ongeveer 200 objecten en complexen van nationaal belang in de Amsterdamse binnenstad. In 1999 adviseerde de gemeenteraad positief over deze lijst van het Monumenten Selectie Project. Onlangs, op 13 juli 2001, rondde de staatssecretaris dit project van lange adem af door de aanwijzing van ongeveer 240 'jonge' rijksmonumenten. Tot de 200 nieuwe rijksmonumenten behoren grote panden als de Bijenkorf, het Industria-gebouw, Peek en Cloppenburg, de Groote Club, de Effectenbeurs, het Victoria-hotel, het Lloyd-gebouw, het Hirsch-gebouw, Hotel de L'Europe, het Doelen-hotel, het Schiller-hotel, en het Telegraaf-gebouw, diverse winkelgebouwen aan het Rokin, bankgebouwen aan de Heren- en Keizersgracht, gebouwen in de oude jodenbuurt, zoals de Joodse Invalide, de voormalige Diamantbeurs en Diamantslijperij Boas, diverse gebouwen in de Plantage, zoals het gebouw Plancius, woonhuizen op de Plantage Middenlaan en een stadsvilla op de Plantage Middenlaan, stadsvilla's op de Weteringschans en diverse gebouwen in de Jordaan, zoals de Constantiawoningen. Ook beschermd zijn de Wintertuin van Krasnapolsky, kleine objecten als het gebouwtje op Pier 10, straatmeubilair als de standbeelden van Rembrandt en Thorbecke, de Paleislantaarns en de fontein en sfinxen van het Wertheimpark en diverse bruggen zoals de Magere Brug, de Blauwbrug en de Hogesluis. Een compleet beeld van de architecten die tussen 1850 en 1940 in de binnenstad gebouwd hebben geeft de MSP-lijst niet, want het aantal nieuwe rijksmonumenten in de binnenstad was vooraf gelimiteerd tot tweehonderd. Dit probleem is overigens ondervangen door het Gemeentelijke Monumentenproject binnenstad, waarvoor nog eens duizend bouwwerken uit de periode 1850-1940 geselecteerd zijn. Toch geeft de MSP-lijst een heel aardig beeld van de toenmalige Amsterdamse architectenwereld. Na de Eerste Wereldoorlog wordt er in de binnenstad nog maar mondjesmaat gebouwd, en al snel na de crisis van 1929 wordt dat nog minder. De bloeiperiode is dus gelegen tussen 1875 en 1914. Het architectuurklimaat in de binnenstad dat lange tijd dynamisch en progressief was geweest, kreeg na de Eerste Wereldoorlog een behoudender karakter, meer en meer kantoorgebouwen werden in een historiserende stijl gebouwd.
| “ De neo-stijlen (1815-1900) Na ±1815 breekt het tijdperk van de zgn. neo-stijlen aan, een architectuur waarin wordt teruggegrepen op de oude architectuur van de gotiek, de renaissance en de barok. Naar believen worden elementen uit de oude architectuur toegepast, soms zelfs gecombineerd in een enkel gebouw (dit was vooral het geval bij het zgn. eclecticisme). Na ±1880 ondergaat Amsterdam een grote economische opbloei, waardoor er weer veel wordt gebouwd en verbouwd. Hierdoor wordt ook aan de architectuur een nieuwe impuls gegeven. Vooral de neo-renaissance is dan erg populair, een neo-stijl waarin de "Oud Hollandse stijl" van het begin van de 17de eeuw herleefd. Toevallig is dat niet: men ervaart de periode als een "tweede Gouden Eeuw". Vooral veel openbare gebouwen zijn in deze periode gebouwd. Grachtenhuizen nauwelijks en woonhuizen natuurlijk vooral in de nieuwe wijken buiten de Singelgracht. Aanvankelijk was er veel kritiek op de gebouwen uit deze periode, maar dat is veranderd: de 19de eeuwse architectuur wordt weer volop gewaardeerd, niet in de laatste plaats omdat zij zich goed voegt in het stadsbeeld. Mede daardoor behoren diverse voorbeelden tot de 200 nieuwe rijksmonumenten, evenals diverse historiserende ontwerpen na 1900. Neo-Grec (1815-1845) De Neo-Grec is een vorm van neoclassicisme, een typische overgangsstijl van het late classicisme van de 18de eeuw naar de neo-stijlen van de 19de eeuw. De stijl wordt gekenmerkt door klassieke vormen, uitgevoerd met zuilen, architraven en frontons. Ook de witgepleisterde interieurs zijn typerend voor deze stijl. Voorbeelden: Paleis van Justitie aan de Prinsengracht (1825/29) van J. de Greef (1784-1835), de Mozes en Aäronkerk op het Waterlooplein (1837/41) van T.F. Suys (1783-1861) en de Willemspoort op het Haarlemmerplein (1840) van C. Alewijn (1788-1839). Willem II-Gotiek (1830-1860) De door koning Willem II gepropageerde gotiek is in Amsterdam weinig toegepast. Kenmerkend voor deze stijl is de manier waarop de oorspronkelijk in metselwerk en natuursteen uitgevoerde constructies worden nagebootst in gips en pleisterwerk. Voorbeeld: Kerk De Papegaai in de Kalverstraat (1848) van G. Moele (1796-1857). eclecticisme (1850-1880) In het eclecticisme worden verschillende historische stijlen gecombineerd tot een nieuw geheel. Voorbeelden: Arti et Amicitiae (Rokin 112, 1855/56 en 1893/94), Museum Fodor, Keizersgracht 609 (1861/62) van C. Outshoorn (1812-1875), het Amstelhotel (1863/67) en de Nederlandsche Bank (thans Allard Pierson Museum) aan de Oude Turfmarkt (1865/69) van W.A. Froger (1812-1883). Van C. Outshoorn bestaan ook enkele woonhuizen: Keizersgracht 452 (1860) en Keizersgracht 806-808. Diverse herenhuizen in bijvoorbeeld de Sarphatistraat en in de Plantage kunnen tot het eclecticisme worden gerekend. Neo-stijlen (1880-1900) Na ±1880 worden enkele neo-stijlen populair die op zeer grote schaal zijn toegepast, ook bij woon- en winkelhuizen. We onderscheiden neo-gotiek, neo-renaissance en mengvormen daarvan. Voorbeelden van neo-gotiek zijn de kerken van P.J.H. Cuypers (1827-1921), zoals de Posthoornkerk (1861/89), de Vondelkerk (1870/80) en de Dominicuskerk (1884/93). Een merkwaardig neo-gotisch woonhuis, uniek in zijn soort, is het houten huis Reguliersgracht 57-59 (1879) van I. Gosschalk (1838-1907). Voorbeelden van de neo-renaissance zijn de Stadsschouwburg (1894) op het Leidseplein en het Stedelijk Museum (1895) aan de Paulus Potterstraat. Bij woonhuizen wordt vaak de renaissance-trapgevel toegepast. Voorbeelden: Rokin 147 (1884), Nieuwezijds Voorburgwal 381-383 (1884), Plantage Middenlaan 36 (1892/93). Misschien wel het mooiste voorbeeld van een grachtenhuis in een neo-stijl, maar zeker minder representatief, is Herengracht 380-382 (1894) van A. Salm (1857-1915). De architectuur van dit rijk gedecoreerde pand gaat terug op Franse vroeg-renaissance vormen, de Frans I-stijl. Ook Weens classicisme treffen we in Amsterdam aan: het Concertgebouw (1883/86) en de Hollandsche Manage (1880), beiden van A.L. van Gendt (1835-1901). Een zeldzaam voorbeeld van neo-barok in Amsterdam is de Sint-Nicolaaskerk (1884/87) aan de Prins Hendrikkade van A.C. Bleys (1842-1912), dezelfde architect die NZ Voorburgwal 381-383 ontwierp. Ook komen veel gebouwen voor in een mengvorm van neo-gotiek en neo-renaissance. Voorbeelden zijn het Rijksmuseum (1876/85) en het Centraal Station (1882/89), beiden van de reeds genoemde P.J.H. Cuypers, en het vml. Hoofdpostkantoor (1899), thans winkelcentrum Magna Plaza, aan de Nieuwezijds Voorburgwal, van C.H. Peters (1847-1932). Veel winkelhuizen zijn in de 19de eeuw in een neo-stijl gebouwd. Bekende voorbeelden zijn de panden van G.A. van Arkel, vaak in een combinatie van neo-gotiek en neo-renaissance, zoals Kalverstraat 190 (1891), Utrechtsestraat 30 (1893/94), Kalverstraat 200 (1894), Nieuwendijk 89 (1887), Leidsestraat 59 hoek Kerkstraat (1888) en Gasthuismolensteeg 20 (1900). Ook G. van Looy (1852-1911) bouwde diverse winkelhuizen, zoals de winkel van Allert de Lange, Damrak 62 (1886) en Keizersgracht 455 hoek Leidsestraat (1891).
| “ Amsterdam Stadhuis op de Dam Stadhuis op de Dam (1648/65) thans Koninklijk Paleis Inleiding Het Koninklijk Paleis werd tussen 1648 en 1665 gebouwd als stadhuis van Amsterdam. De ontwerper was Jacob van Campen, maar de technische uitvoering werd verzorgd door stadsbouwmeester Daniël Stalpaert. Jacob van Campen kwam in 1654 in conflict met het stadsbestuur, waarna Daniël Stalpaert de volledige leiding kreeg. Het beeldhouwwerk werd gemaakt door Artus Quellijn en zijn medewerkers. In 1655 werd het stadhuis feestelijk ingehuldigd, maar was toen nog niet voltooid: pas in 1665 was het gebouw gereed, terwijl aan de inrichting van de vertrekken tot aan het begin van de 18de eeuw werd gewerkt. Voor de vervanging van het bouwvallig geworden gotische stadhuis waren verschillende ontwerpen ingediend. De Vrede van Münster in 1648 bracht zo'n euforie met zich mee dat het meest ambitieuze plan werd uitgevoerd. Het stadhuis werd gebouwd op een schaal die in Europa nog niet eerder was vertoond. Het werd het grootste bestuurlijke gebouw van het toenmalige Europa. Het gebouw rust op 13.659 palen ("de dagen van het jaar, een één ervoor en een negen erachter", hebben generaties schoolkinderen geleerd). Het "achtste wereldwonder" werd de parel in de kroon van Amsterdam. Het gebouw moest de rijkdom en het aanzien van de stad Amsterdam weerspiegelen. Het gebouw werd geheel opgetrokken uit Bentheimer zandsteen (oorspronkelijk zeer licht gekleurd) en met name in het interieur veel marmer. Jacob van Campen liet zich inspireren door de Romeinse bestuurlijke paleizen. Voor de burgemeesters van Amsterdam, die zich de consuls van een nieuw Rome waanden, werd een nieuw Capitool gebouwd. Het stadhuis van Jacob van Campen is 's lands belangrijkste historische en culturele monument van de 17de eeuw, de glorietijd van Nederland in het algemeen en van Amsterdam in het bijzonder. Het gebouw is dan ook op zeer veel oude afbeeldingen te zien. Het gebouw is tot 1808 stadhuis gebleven. Daarna werd het door koning Lodewijk Napoleon veranderd in een paleis. De galerijen werden door houten wanden in vertrekken verdeeld. Aan de voorzijde werd een balkon aangebracht. Uit deze periode stammen ook de fraaie Empire meubelen die in het paleis zijn te zien. In de 20ste eeuw werd het gebouw meerdere malen gerestaureerd, waarbij de verbouwingen van Lodewijk Napoleon ongedaan werden gemaakt. Het gebouw werd in zijn oorspronkelijke staat teruggebracht, waardoor we het gebouw weer kunnen ervaren als een bestuurlijke tempel in klassieke traditie. Na de restauratie in 1960 werd het gebouw beperkt opengesteld voor het publiek. Bouwstijl Het Hollands classicisme in de trant van Jacob van Campen heeft een monumentaal gebouw opgeleverd, eenvoudig van vormen, sober van versiering, maar helder van opzet. Het beeldhouwwerk mocht nergens de aandacht afleiden van het grootse geheel. De compositie van de gevel is harmonieus en voldoet aan de ideale klassieke verhoudingen. De zware sokkel draagt twee pilasterorden die beide een hoog en een laag venster beslaan, overeenkomend met een hele en een halve verdieping erachter. In navolging van Vincenzo Scamozzi is een Corinthische orde boven een Composiete geplaatst. De middenpartij met het fronton komt iets naar voren, evenals de hoekpaviljoens. De heldere structuur van het gebouw is zo overheersend dat het fraaie beeldhouwwerk nauwelijks opvalt. De kapitelen, festoenen enzovoort zijn weergaloos en het hoogste wat men in de lage landen heeft weten te bereiken. We zien de festoenen op grachtenhuizen overal in de stad nagevolgd. Het meest indrukwekkend zijn de timpanen met beeldhouwwerk in marmer en de bronzen beelden op de frontons. Boven de middenpartij rijst een hoge koepel op, van waaruit men de aankomst van de schepen op het IJ kon zien. Opvallend is het ontbreken van een monumentale ingangspartij. De zeven onversierde bogen op straatniveau (zonder stoep) was letterlijk een lage drempel, om duidelijk te maken dat het stadhuis van iedereen was. De exterieur van het gebouw is sober en ingetogen, maar het interieur is oogverblindend. Een bezoek aan Amsterdam is dan ook niet compleet zonder een bezoek aan het Koninklijk Paleis, het voormalige stadhuis van Jacob van Campen.
| “ Plantage Middenlaan/-Parklaan Fontein en sfinxen Wertheimpark (1898) Het huidige parkje is een gedeelte van het oudste wandelpark (1812) van Amsterdam. Oorspronkelijk besloeg het park het gehele terrein tussen de Plantage Middenlaan en de Nieuwe Rapenburgergracht (het huidige Entrepotdok). Het was een 'geschenk' van Napoleon aan Amsterdam, overigens op eigen kosten van de stad. In 1849 kreeg het park zijn karakter als ontspanningstuin, in 1897 definitief bekrachtigd als openbaar wandelpark. Er verrees een Parkgebouw, later veranderd in Park Schouwburg, dat echter in 1911 zodanig was vervallen dat sloop onvermijdelijk was. Inmiddels had het terrein, tot die tijd kortweg 'Het Park' genoemd, in 1898 de naam van bankier, politicus, kunstliefhebber en filantroop Abraham Carl Wertheim (1832-1897) gekregen.
| “Plantage Middenlaan 1-5/Plantage Parklaan 10-20/Henri Polaklaan 2-4 (1865/66) Vanaf het begin van de 19de eeuw komt het wit pleisteren van gevels in zwang. In de Plantage werden vanaf omstreeks 1860 vele gevels op deze wijze bewerkt. Men trachtte hierdoor een sfeer van harmonie en "voornaamheid" te bereiken. Bovendien vormt de lichte kleur een contrast met het groene buitengebied. In de oorspronkelijke opzet van de Plantage kwam dit contrast nog duidelijker naar voren dan tegenwoordig. Dit kopblok is een goed voorbeeld van deze uitgangspunten. Het is een imposant, geheel symmetrisch ontwerp van in oorsprong 17 herenhuizen van de hand van architect G.W. Breuker. De twee hoekpanden hebben grote door pilasters begrensde ronde hoeken.
| “ Amsterdam Rijksmuseum Museum van kunst en geschiedenis Het Rijksmuseum is sinds 1885 gehuisvest in het indrukwekkende gebouw van architect Pierre Cuypers aan het Museumplein, in het hart van Amsterdam. Tussen 2003 en 2009 wordt het museum gerenoveerd. Op deze pagina's leest en ziet u alles over deze ingrijpende onderneming
| “ Straatmeubilair Onder straatmeubilair verstaan we objecten in het publieke domein die eigendom zijn van de gemeente. Ze kunnen een nuttige functie hebben, zoals lantaarns, urinoirs, bankjes, etc., maar ook louter ter versiering van de openbare ruimte zijn, zoals beelden, fonteinen, etc. De Amsterdamse lantaarnpaal model 1883, bekend als de "grachtenlantaarn", is nog met circa 3.000 exemplaren volop aanwezig in het straatbeeld. Op de Westermarkt staan sinds december 1998 twintig replica's van de oorspronkelijke lantaarn die op de gietijzeren mast uit 1883 thuishoort: de kroonlantaarn. Een op zichzelf staand onderwerp is de gevellantaarn. Alhoewel strikt genomen geen straatmeubilair, omdat gevellantaarns particuliere objecten zijn en onderdeel van de beschermde woonhuismonumenten, dragen zij erg bij aan de belevingswaarde van het publieke domein in de binnenstad. Van de 18de eeuwse Amsterdamse gevellantaarn beschikt het Bureau Monumentenzorg over bouwtekeningen. De ijzeren "krul" is een bekend openbaar urinoir of plasgelegenheid. Het eerste ontwerp van de enkele en dubbele krul dateert uit 1880 en is van Publieke Werken. In 1914 of '16 werd het ontwerp vernieuwd door J.M. van der Mey; de ornamentiek aan de bovenzijde kwam te vervallen en het pissoir werd voorzien van een ronde kap met beschermschot. Het is dus een ontwerp dat sterk voortborduurt op het ontwerp uit 1880. Niet al het oude straatmeubilair is overigens beschermd. De koninklijke lantaarns van het Paleis op de Dam (1844) sinds kort wel. Ook beschermd zijn beelden als Rembrandt op het Rembrandtplein (1852) en Thorbecke op het Thorbeckeplein (1876) en de fontein en sfinxen van het Wertheimpark (1898). Al deze objecten behoren tot de 200 nieuwe Rijksmonumenten. Vermeldenswaardig zijn de twee fonteinen en zes lantaarns van H.P. Berlage op het Beursplein (1930). Een belangrijke periode voor het straatmeubilair was die van de Amsterdamse School. Voorbeelden van straatmeubilair in Amsterdamse School zijn girobussen, brandmelders en meterkasten, maar er is ook een enkel urinoir in Amsterdamse School-stijl.
Combineer een bezoek aan een monument met een stadswandeling: klik hier
| “ Nieuwezijds Voorburgwal 225 vm. hoofdgebouw dagblad De Telegraaf (1927/30) Nog niet zo lang geleden gold de Nieuwezijds Voorburgwal als dé krantenboulevard van Nederland. Omstreeks 1950 bevonden zich langs deze voormalige ‘Fleetstreet’ niet minder dan tien dagbladvestigingen. In de loop van de jaren ‘60 begon de geleidelijke teloorgang van de ‘Nieuwezijds’ als concentratiepunt van de landelijke dagbladpers. Inmiddels hebben de nog resterende voormalige krantengebouwen alle een andere functie. Het bedrijfspand van De Telegraaf werd in 1927 in opdracht van directeur/eigenaar H.M.C. Holdert ontworpen door J.F. Staal en G.J. Langhout. In 1930 werd de bouw voltooid. Langhout was verantwoordelijk voor de constructie. De Telegraaf, opgericht in 1892, was onder Holderts leiding de grootste krant van Nederland geworden. De gehele productie van de krant, van redactie tot en met distributie, werd in het nieuwe gebouw geconcentreerd. De drukkerij bevond zich op de begane grond en werd van daglicht voorzien door grote in brons gevatte ramen, het benedengedeelte met spiegelglas - waardoor het publiek vanaf de straat een deel van het productieproces kon volgen - en in het bovendeel met glazen bouwstenen. Deze openheid en nadruk op voldoende lichttoevoer was kenmerkend voor de architectuur van de Nieuwe Zakelijkheid, waarin het gebouw overwegend is uitgevoerd. Het linkerdeel van de voorgevel en ook de toren rechts sluiten meer aan bij de Amsterdamse School. Bij de voorgevel en de toren is onder meer gebruik gemaakt van graniet en een bronskleurige, speciaal voor dit bedrijfspand gebakken, verglaasde steen.Sinds 1985 is in het gebouw een onderdeel van de Kas-Associatie gevestigd.
| “ Warmoesstraat 169 Wintertuin Grand Hotel Krasnapolsky (1879/80) De wintertuin van café-restaurant Krasnapolsky - toen nog geen hotel en nog gesitueerd aan de Warmoesstraat - werd in 1879 ontworpen door architect G.B. Salm. De wintertuin was onderdeel van een grootscheepse verbouwing die het succesvolle restaurant meer cachet moest geven. De grote zaal werd overspannen door een hoge glazen kap, gedragen door een ijzeren dakconstructie met ranke gietijzeren kolommen. Het bouwwerk van glas, hout en ijzer, waarbij de constructie tevens als decoratief element geldt, was iets nieuws aan het eind van de 19de eeuw in de Nederlandse bouwkunst. Eind 1989 werd onder leiding van architect M. Grothausen een begin gemaakt met de restauratie van de wintertuin. In de loop der jaren was de tuin volledig veranderd; draperieën en bloemetjesbehang bedekten de muurschilderingen en grote delen van de gietijzeren kolommen. De zaal was met voorzetwanden ingekort en het plafond gedeeltelijk verlaagd. De schilderingen van Tetar van Elven op de korte wanden onder de kap waren aan het oog onttrokken. Van de originele wandschilderingen boven de galerijen bleek niet veel meer over te zijn dan gescheurde stukken linnen, die niet meer te redden waren Schilderes C. van der Donk kreeg de opdracht om de vlakken tussen de spanten opnieuw te decoreren. De boogschilderingen van Van Elven werden schoongemaakt en gedoubleerd. Boven de ingang prijkt weer in originele kleurstelling het wapen van Nederland, geflankeerd door personificaties van kunsten en wetenschap. Aan de andere kant van de zaal is weer het wapen van Amsterdam te zien, geflankeerd door personificaties van handel en wetenschap. Tijdens de restauratie zijn alle smeedijzeren spanten, die per stuk 1800 kilo wegen, gedemonteerd, gestraald en opnieuw in de originele kleur groen geschilderd. Onder de niet-brandwerend beklede kap is een sprinklerinstallatie aangebracht en in het glazen zadeldak bevinden zich zogeheten brandluiken.
| “ Het Amsterdams Historisch Museum is sinds 1975 gevestigd in de gebouwen van het voormalige Burgerweeshuis. De gevels, de poorten, de regentenkamer en de jongens- en meisjesbinnenplaats herinneren nog steeds aan het weeshuis. In en rond de regenten- kamer wordt een korte geschiedenis van het weeshuis vertelt. In een interactief programma over het weeshuis zijn bovendien veel oude foto's te bekijken. Van dit programma zijn hieronder enkele korte fragmenten te zien. Het Burgerweeshuis Het Burgerweeshuis werd omstreeks 1520 gesticht in een huis aan de Kalverstraat. In 1579 verhuisde het naar het voormalige St. Luciënklooster, dat op de plaats van het huidige museum stond. De middeleeuwse kloostergebouwen werden geleidelijk aan afgebroken en in de 17de eeuw vervangen door nieuwbouw.
| “Sinds 1975 is het Bijbels Museum gevestigd in twee statige grachtenpanden aan de Amsterdamse Herengracht, de zgn. Cromhouthuizen. Deze monumentale panden werden in 1662 gebouwd door de beroemde architect Philips Vingboons, in de stijl van het Hollands Classicisme. Opdrachtgever en eerste bewoner was de vermogende koopman Jacob Cromhout. Een krom stuk hout in de gevel herinnert aan zijn naam. architectuur De panden herbergen een schat aan architectonische en historische hoogtepunten. Zo zijn er twee 17de-eeuwse keukens. Deze behoren tot de best bewaarde antieke keukens van Nederland. De beide tuinkamers hebben prachtige stucplafonds van Ignatius van Logteren. Bijzonder fraai is de Engelse Staatsietrap die vanuit de marmeren hal naar de bovenverdiepingen leidt. Jacob de Wit Hoogtepunt is de plafondschildering die Jacob de Wit in 1718 in de achterzaal aanbracht. Deze bestaat uit verschillende doeken in een setting van eikenhouten balken, waarop mythologische voorstellingen zijn afgebeeld. Sinds 2000, na de voltooiing van de restauratievan het pand, is het Bijbels Museum een tweede zolderstuk van De Wit rijk: “Apollo en de vier seizoenen” uit 1750, dat een plaats heeft gekregen in één van de gerestaureerde zalen.
| “ 1671 De Grote Synagoge is de oudste van de vier synagogen waarin het Joods Historisch Museum gevestigd is. Van deze voormalige synagogen heeft de Grote Synagoge altijd het meest in aanzien gestaan. Het gebouw is dan ook veelvuldig afgebeeld en er is veel over geschreven. De Hoogduitse joodse gemeente van Amsterdam is in 1635 opgericht en kwam aanvankelijk op verschillende locaties bijeen. Door de grote toestroom van joodse emigranten uit Oost-Europa, op de vlucht voor oorlogen en pogroms, groeide de gemeente echter zo snel dat in 1670 een perceel werd aangekocht om een eigen synagoge te bouwen. Als aannemer en meester-metselaar werd Elias Bouman aangetrokken. Hij bouwde tevens het Pintohuis en enkele jaren na de Grote Synagoge de Portugese Synagoge. In de bouwstijl van de Grote Synagoge is ook de invloed van stadsbouwmeester Daniel Stalpaert te herkennen 1752 Hoewel er inmiddels drie synagogen naast elkaar stonden was er in de achttiende eeuw, door de aanhoudende groei van de gemeente, nog steeds sprake van ruimtegebrek. Aan het begin van de achttiende eeuw werd een leeg perceel aan de Deventer Houtmarkt gekocht voor de vestiging van een extra synagoge. Op 17 juli 1730 werd de eerste Nieuwe Synagoge ingewijd. Dit was een relatief klein gebouw. Tegen 1750 werden nog eens vier belendende percelen aangekocht. In één daarvan woonde opperrabbijn Arjeh Leib ben Saul, de stichter van het Hoogduitse Beth Hamidrasj Ets Chaim 1685 Na de bouw van de Grote Synagoge in 1671 ontstond al binnen kortre tijd ruimtegebrek. Vandaar dat er al snel begonnen werd met de bouw van een Tweede Synagoge, ook wel de Obbene Sjoel genaamd.
Deze (bij)naam dankt het gebouw aan het feit dat zij een bovenruimte ('obben') in beslag neemt. De ruimte onder de synagoge was vroeger een vleeshal. Dit oorspronkelijk houten gebouw stond op een achtererf aan de Nieuwe Amstelstraat, dat in 1671 aangekocht was door de joodse gemeente. Al in 1680 kocht de Hoogduitse gemeente twee huisjes met klokgevels, gelegen aan de huidige Nieuwe Amstelstraat.
Deze lagen vóór de houten vleeshal die op de plek stond waar in 1685 de Obbene Sjoel zou verrijzen. Op een anonieme gravure uit 1693 getiteld De Hoogduytse Joode Synagoge zijn de huisjes nog te zien. In 1700 werd in deze huisjes een synagoge gevestigd die de Dritt Sjoel genoemd werd. In 1777 werden de oude huisjes vervangen door een nieuw gebouw dat op 3 april 1778 werd ingewijd. Dit nieuwe gebouw kennen wij nu nog als de Dritt Sjoel.
| “ Het Geelvinck Hinlopen Huis is een patriciershuis gebouwd in 1687. Het dubbele huis met koetshuis is gelegen tussen Museum Van Loon en Museum Willet-Holthuysen, in het buurtje van de zeven bruggetjes / Seven Bridges Quarter. Te bezichtigen zijn de stijlkamers met meubels en schilderijen uit de 17de tot 19de eeuw en de weelderige formele tuin met een grote vijver
| “ De Hollandsche Schouwburg werd gedurende de oorlogsjaren 1942-1943 gebruikt als deportatieplaats voor joden. Het gebouw, in 1892 gebouwd als huis voor cultuur en ontspanning in het hart van de oude jodenbuurt, werd daarmee een plek van onheil en intens verdriet. Vanuit de schouwburg werden duizenden mannen, vrouwen en kinderen weggevoerd naar Westerbork en vandaar verder, de dood tegemoet. Weinigen overleefden. 104.000 Nederlandse joden werden vermoord in de vernietigingskampen van de Duitse bezetter.
| “Het huis Marseille is gevestigd in een gelijknamig gerestaureerd 17e-eeuws pand aan de Keizersgracht. In de zomermaanden is huis Marseille langer geopend. Het museum Huis Marseille is genoemd naar het pand waarin het is gevestigd. Dit monumentale woonhuis werd rond 1665 gebouwd in opdracht van de Franse koopman Isaac Focquier. Op de imposante, classicistische gevel liet Focquier een steen aanbrengen met de plattegrond van de Franse havenstad Marseille. Het schip dat hij in Marseille had laten bevrachten en dat hem naar Amsterdam had gebracht, maakte van hem een gefortuneerd man. Hoewel Focquier het pand al in 1676 moest verkopen, is de gevelsteen nog altijd aanwezig. De oorspronkelijke, 17de-eeuwse indeling van het huis is driehonderd jaar later nog grotendeels intact: met een voorhuis, binnenplaats, achterhuis en tuin.
| “Amsterdams bekendste en zonder twijfel drukst bezochte kerk staat in het hart van de stad, naast het Koninklijk Paleis op de Dam. Wie de kerk voor het eerst bezoekt, zal zich wellicht verbazen over de naam van dit eeuwenoude gebouw: De Nieuwe Kerk. De naam dateert uit de vijftiende eeuw en diende in de volksmond ter onderscheiding van 'De Oude Kerk'. De stad breidde zich in rap tempo uit en deze kerk aan de 'oude zijde' van het Damrak kon de groeiende stroom kerkgangers niet meer aan. De bouw van een tweede parochiekerk aan de 'nieuwe zijde' van de stad werd een noodzaak. Een voornaam burger, Willem Eggert, schonk zijn boomgaard als bouwgrond en in 1408 kreeg het nieuwe godshuis 'wegens zware overbelasting van de zielszorg van de bestaande kerk...' bisschoppelijke goedkeuring.De Nieuwe Kerk is altijd een multifunctioneel gebouw geweest. Het was sinds de middeleeuwen een godshuis annex begraafplaats, maar het werd door de week voor zeer uiteenlopende doeleinden gebruikt. Het kon tijdelijk als beurs fungeren, of als stadsmuziekzaal waar wandelconcerten werden gegeven, of als aula waar prijs- en diploma-uitreikingen plaatsvonden. De Nieuwe Kerk bood voor al die gelegenheden een grote, representatieve ruimte in het hart van de stad. De huidige Nieuwe Kerk vervult in het stadsleven een vergelijkbare rol in een andere tijd, in andere omstandigheden. Nog steeds is De Nieuwe Kerk als het ware een overdekt plein, een verlengstuk van de Dam, waar mensen elkaar ontmoeten. Hier zijn grote tentoonstellingen te bezichtigen, worden feestelijke en plechtige bijeenkomsten gehouden en vinden culturele manifestaties plaats.
| “Op 17 september 1306 werd de Oude of St. Nicolaaskerk te Amsterdam, of liever de kerk die in vier eeuwen zou uitgroeien tot het huidige kerkgebouw, gewijd door de Bisschop van Utrecht, Guy d'Avesnes. Men zou kunnen zeggen: het spirituele begin van Amsterdam. Maar evenzeer is het bouwhistorisch een uiterst belangwekkend monument onder de historische kerken in Nederland: haar bijzondere, gotische baksteenarchitectuur, de indrukwekkende gravenvloer en het nog orgineel middeleeuwse houten tongewelf, grootste in Europa, levert een zeer sfeervolle, opvallend lichte en lege kerkruimte op.
| “In 1661 begint de geschiedenis van Ons’ Lieve Heer op Solder. Dan koopt de welgestelde koopman Jan Hartman (1619-1668) een huis ‘op stand’ aan de Oudezijds Voorburgwal, in de volksmond ‘Fluwelen Burgwal’ geheten. Dit pand, het huidige museum bestaat uit een voorhuis met twee achterhuizen, waarbij de derde verdieping van het voorhuis één geheel vormt met de bovenste etage van de achterhuizen. De nieuwe eigenaar laat het huis direct grondig verbouwen. Op de bel-etage en in het souterrain brengt Jan Hartman zijn winkel en opslag onder. Op eerste verdieping komt een - voor die tijd rijke - ontvangstkamer, waar Hartman gasten en zakenrelaties zijn status en gastvrijheid kan tonen. De Sael behoort tegenwoordig tot de best bewaarde woonruimten in Nederland uit de Gouden Eeuw en is zelfs in Japan, in kopie, te bewonderen. Gedoogbeleid Hartman is katholiek en zijn zoon studeert voor priester. In het gereformeerde Amsterdam is nauwelijks gelegenheid om hun geloof te belijden. Enkele jaren na de Alteratie (de overgang naar het gereformeerde geloof van Amsterdam) in 1578 is er namelijk een officiële verbod gekomen op de viering van de katholieke eredienst. Daarom laat Hartman op de bovenste drie verdiepingen van zijn huis een rooms-katholieke schuilkerk bouwen. Ruim tweehonderd jaar dient Hartmans zolderkerk als parochiekerk voor de binnenstad. De protestante overheid weet van het bestaan van de schuilkerk, maar kneep een oogje dicht. Amsterdam hanteerde een ‘gedoogbeleid’ ten aanzien van de diversiteit aan geloofsrichtingen in de stad.
| “Gebouw Plancius aan de Plantage Kerklaan 61 biedt sinds 1999 onderdak aan het Verzetsmuseum. De geschiedenis van gebouw Plancius Gebouw Plancius dateert uit 1876. Het initiatief tot de bouw kwam van de joodse zangvereniging Oefening Baart Kunst. Het pand deed achtereenvolgens dienst als muziektempel en sociëteit, als zalencentrum en bijna tachtig jaar lang als garage. Sinds 1999 is het de behuizing van het Verzetsmuseum. Ook is er, sinds 1 januari 2000, café-restaurant Plancius gevestigd. Boven bevinden zich enkele appartementen. De gevel van Plancius, met de davidsster, herinnert aan de tijd toen Amsterdam nog in hoge mate een joodse stad was. Gebouw Plancius lag vlak bij de oude joodse buurt, op tien minuten loopafstand. (Die legendarische buurt, de Jodenhoek, was overigens al voor de komst van de nazi's aan het verdwijnen. Vanaf 1916 werden hier talrijke krotwoningen op last van de gemeente gesloopt. Tweederde van de joodse bewoners verhuisde tijdens deze saneringen naar andere, nieuwe delen van de stad, zoals de Transvaalbuurt en de Rivierenbuurt.)
| “Rondleiding door het historische pand Vijf monumentale panden met prachtige tuinen vormen het decor van het Theatermuseum. De panden werden in de 17de eeuw in opdracht van rijke Amsterdamse burgers door vooraanstaande architecten als Philip Vingboons gebouwd. Het Bartolottihuis (nrs. 170-172) en het pand 168 zijn een bezoek meer dan waard. De inrichting hier is in de loop van de tijd weinig veranderd. De originele muur- en plafondschilderingen, de marmeren hal en de handgesneden wenteltrap zijn nog steeds te bewonderen.
| “THUIS AAN DE GRACHT Museum Van Loon is gelegen aan de Keizersgracht 672 in Amsterdam. Het dubbele grachtenhuis dateert uit 1672. De eerste bewoner was de schilder Ferdinand Bol, Rembrandts beroemdste leerling. In de negentiende eeuw kwam de familie Van Loon in het pand wonen. Deze familie heeft een lange geschiedenis in Amsterdam. Willem van Loon was een van de oprichters van de Vereenigde Oostindische Compagnie. De laatste bewoonster van het gehele huis was Thora van Loon - Egidius. Als Dame du Palais van Koningin Wilhelmina ontving zij in het huis vele vorstelijke gasten. Door de eeuwen heen is het interieur grotendeels intact gebleven. Wij nodigen u uit om de collectie te bekijken.
| “ Museum Willet-Holthuysen staat aan de Herengracht 605. Het is het enige volledig ingerichte Amsterdamse grachtenpand dat dagelijks voor publiek geopend is. De laatste bewoners waren Abraham Willet (1825-1888) en zijn echtgenote Louisa Holthuysen (1824-1895). Mevrouw Willet-Holthuysen liet in 1895 het huis met de inboedel en de omvangrijke kunstverzameling van haar echtgenoot na aan de stad Amsterdam. De voorwaarde was dat het huis een museum zou worden. Het Museum Willet-Holthuysen bestaat uit stijlkamers en er zijn het hele jaar door tentoonstellingen. In 1996 werd het museum gerenoveerd.
| “Het Historisch Museum is gevestigd in een pand dat dateert uit het midden van de 18e eeuw. Deze oude patriciërswoning bestond uit 8 kamers, kelders en een ruime zolder, een washuis, mangelkamer en watervoorzieningen zoals een regen- en een welwaterpomp. Het huis heeft de vorm van een kubus en is opgetrokken uit rode baksteen. Aan de voorgevel is een in zandsteen uitgevoerde raamomlijsting met elementen van de vier jaargetijden in rococostijl aangebracht. Deze symboliek komt ook terug in het interieur, in het stucwerk in de gang. De gevel heeft een prachtige horizontale houten lijst met gesneden rococo consoles. De hoofdindeling van het gebouw is, ondanks de vele verschillende functies die het in de loop der tijd heeft gehad, bewaard gebleven
| “ Arnhem Koepelgevangenis
| “ Arnhem Monumenten tweede wereldoorlog
| “ Arnhem Monumenten op 1 bladzijde De Eusebiuskerk, De St Walburgisbasiliek, De Sabelspoort, Het Duivelshuis, Het Presickhaeffs Huys, De Koepelkerk, Het Postkantoor, Het Sint Peters Gasthuis, Kasteel Rosendael, Kasteel Zypendaal,
| “ Monumentenlijst Assen
| “ In het historisch centrum van Bergen op Zoom ligt het mooiste laat-gotische stadspaleis van West-Europa: Het Markiezenhof. Dit monument werd op het einde van de 15e eeuw gebouwd ter meerdere eer en glorie van de Markiezen van Bergen op Zoom door de fameuze Mechelse bouwmeesters Anthonie en Rombout Keldermans. Achter de vorstelijke gevel verschuilt zich een fascinerend geheel van zalen, kamers, galerijen, traptorens, binnenplaatsen en tuinen. Dwalend door dit uitgestrekte paleis, waar de adellijke sfeer nog bijna tastbaar is, krijgt de bezoeker een beeld van de elegante levenswijze van de vroegere bewoners. De collectie bestaat uit schilderijen, meubilair en sier- en gebruiksvoorwerpen uit de 15 tot en met de 18e eeuw. Spectaculair is de omvangrijke kermisverzameling die een indringend beeld schetst van de geschiedenis van dit volksvermaak. Wisselende tentoonstellingen op het gebied van spotprenten (www.politiekespotprenten.nl) bieden de bezoeker steeds weer iets nieuws.
| “Bourtange, Vestingstadje oa. Geschiedenis Van 1580 tot 2006. Voor het ontstaan van de vesting moeten we terug naar de Tachtigjarige Oorlog. In de 16e eeuw beheersten onze voorouders de grondwaterstand nog niet. Grote onbegaanbare moerassen bedekten de helft van de huidige provincies Groningen en Drenthe. Die moerassen waren slechts op enkele plaatsen, harde zanderige passen, doorgankelijk, waaronder de 'twee uur gaans lange, slechte pas' over de plaats waar later Bourtange zou ontstaan. In maart 1580 kwam door het verraad van George van Lalaing, graaf van Rennenberg, de in 1577 door de Staten-Generaal benoemde stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe, de stad Groningen in handen van de Spanjaarden. Later in het jaar 1580 gaf prins Willem van Oranje opdracht om een schans met vijf bastions aan te leggen op de zandrug in het moerasgebied op de grens met Duitsland. Over deze zandrug, of tange, liep de weg die de stad Groningen verbond met Lingen en Westfalen. De Spanjaarden gebruikten deze route onder meer om de stad te bevoorraden. De prins hoopte door het aanleggen van de schans deze belangrijke route te blokkeren, zodat de stad Groningen geheel geïsoleerd zou komen te liggen
| “Delft Legermuseum het gebouw Het Armamentarium De geschiedenis van het gebouwencomplex waarin het Legermuseum is gevestigd begon in 1601. Midden in de oorlog met Spanje bouwde het gewest Holland en Westfiresland een centraal Armamentarium oftewel een wapenmagazijn. Op de kadepunt tussen Oude Delft en Geer verrees een bouwwerk met trapgevels dat ruimte bood aan geschut, munitie en allerlei toebehoren. Na aankoop van nieuw terrein in 1660 bouwde men een klein wachthuis en een smederij. De belangrijkste uitbreiding volgde in de jaren na 1691. Grond en huizen van de buren werden aangekocht (voor 17.691 gulden 10 stuivers en 2 penningen). Op de vrijgekomen plaats werd een statig tweede magazijn neergezet voor '...affuiten, salpeter, ende andere groove ende volumineuze waeren ende behoefften van oorloghe.' Verschillende verbouwingen veranderden indeling en aanzien van het complex. Een aangrenzend pakhuis van de Verenigde Oostindische Compagnie werd in 1802 aan het geheel toegevoegd
Combineer een bezoek aan een monument met een stadswandeling: klik hier
| “ De geschiedenis van het gebouwencomplex waarin het Legermuseum is gevestigd begon in 1601. Midden in de oorlog met Spanje bouwde het gewest Holland en Westfiresland een centraal Armamentarium oftewel een wapenmagazijn. Op de kadepunt tussen Oude Delft en Geer verrees een bouwwerk met trapgevels dat ruimte bood aan geschut, munitie en allerlei toebehoren. Na aankoop van nieuw terrein in 1660 bouwde men een klein wachthuis en een smederij. De belangrijkste uitbreiding volgde in de jaren na 1691. Grond en huizen van de buren werden aangekocht (voor 17.691 gulden 10 stuivers en 2 penningen). Op de vrijgekomen plaats werd een statig tweede magazijn neergezet voor '...affuiten, salpeter, ende andere groove ende volumineuze waeren ende behoefften van oorloghe.' Verschillende verbouwingen veranderden indeling en aanzien van het complex. Een aangrenzend pakhuis van de Verenigde Oostindische Compagnie werd in 1802 aan het geheel toegevoegd
|
|